Nieuws   /   Vrouwen kunnen nog één ding van mannen leren: netwerken

Vrouwen kunnen nog één ding van mannen leren: netwerken

Op basis van mijn promotieonderzoek ben ik geïnterviewd door Jannie Benedictus voor een artikel in FD Persoonlijk. Het artikel begint met de inleiding “Vrouwen zouden beter gebruik moeten maken van hun netwerk. Dat helpt ze de top te bereiken, concludeert een recent proefschrift. ‘Mannen schuiven elkaar makkelijker dingen toe.’’

Benedictus heeft niet alleen een lijstje met aanbevelingen opgenomen wat heel behulpzaam is om meer gebruik te maken van het netwerk. Ook heeft ze enkele topvrouwen geïnterviewd om de uitkomsten van het onderzoek te toetsen.

Het artikel is te lezen op de site van het FD:
FD - Vrouwen kunnen nog één ding van mannen leren: netwerken


Vrouwen kunnen nog één ding van mannen leren: netwerken

Jannie Benedictus

Vrouwen zouden beter gebruik moeten maken van hun netwerk. Dat helpt ze de top te bereiken, concludeert een recent proefschrift. ‘Mannen schuiven elkaar makkelijker dingen toe.’

Vrouwen zijn vaak te terughoudend om hun connecties in te schakelen, aldus Jeanne Martens. Beeld: iStock/FD Studio

Jeanne Martens, onderzoeker aan de Hogeschool van Amsterdam, was jarenlang voorzitter van een vrouwennetwerk. Ze vermoedde dat veel vrouwen de netwerkbijeenkomsten als sluitpost van hun agenda’s beschouwden: bij drukte werden die als eerste van het programma geschrapt. ‘Maar wanneer je carrière wilt maken, hoort daar netwerken bij. Ik wilde er meer van weten.’
Die zoektocht mondde eind 2020 uit in het proefschrift ‘De netwerk-kikker wakker kussen’, waarin Martens naar aanleiding van enquêtes en interviews vaststelt dat vrouwen zich minder van hun netwerk bewust zijn dan mannen en minder vaak hun connecties inzetten om carrièredoelen te bereiken. Daarnaast sprak ze 86 topvrouwen, die allemaal stellen dat hun netwerk een wezenlijke rol heeft gespeeld in hun loopbaan en die ook het belang van ‘sponsors’ benadrukken. Die staan als een soort ambassadeur hun protegé bij met advies en introduceren diegene in relevante netwerken. Het biedt dus absoluut mogelijkheden, concludeert Martens, en het zou helpen als meer vrouwen zich daar bewust van zijn. ‘Op netwerkborrels waren de meeste vrouwen al naar huis’

Interessante buurvrouw
De 38-jarige Alexandra Bitlloch is hoofd toezicht bij de Autoriteit Financiële Markten. Zij heeft absoluut geen problemen met netwerken. ‘Ik doe het heel bewust en beperk me niet alleen tot zakelijke contacten.’ Bitlloch vertelt dat ze bijvoorbeeld ook in haar buurt netwerkt. ‘Ik hoorde dat een buurvrouw een interessante baan bij Loyens & Loeff heeft en betrokken is bij de Stichting Topvrouwen. Dat leek mij een mooi contact. Dus heb ik haar, Mariëtte Turkenburg, een keer aangesproken op straat. Dankzij het balletje dat toen ging rollen, kon ik meedoen aan het programma Talent naar de Top.’ Echt netwerken vraagt wel lef, erkent Bitlloch. ‘Maar dat geldt evengoed voor mannen. Die zijn er ook niet allemaal even goed in. Al denk ik wel dat mannen elkaar over het algemeen makkelijker dingen toeschuiven. En toen er nog fysieke netwerkborrels bestonden, was ik vaak een van de laatsten die overbleven. De meeste vrouwen waren dan al naar huis.’ Dat laatste concludeerde ook Martens. ‘Ik hoorde van ceo’s die ik interviewde dat zij op borrels veel vaker door jonge mannen aan hun jasje worden getrokken dan door jonge vrouwen. Die zitten op de tiende verdieping nog ijverig aan een rapport te werken of zijn al naar huis. Uit die interviews bleek ook dat je dit thuis gewoon op de agenda moet zetten. Maak er afspraken over, bij voorkeur voordat er kinderen komen.’

Zes tips uit het proefschrift van Jeanne Martens
  • Sta bewust stil bij je netwerk Verbeeld je netwerk eens op papier als een aantal knooppunten. Ook je privéconnecties, het schoolplein, je vrijwilligerswerk, enzovoort.
  • Wees zichtbaar Gebruik je netwerk om je resultaten te delen. Doe dat intern én extern. Zeg niet bij alles dat het een teamprestatie was.
  • Zoek een sponsor Vraag iemand, een ‘sponsor’, om je te introduceren en aan te bevelen. Zoek meer sponsoren en houd tussentijds contact met ze.
  • Durf om hulp te vragen Je netwerk inschakelen voor informatie of introductie is geen brevet van onvermogen, maar een slimme zet.
  • Maak tijd Ruim bewust tijd in je agenda in. Netwerken is werk. Bespreek het zo nodig thuis.
  • Denk strategisch Schakel niet alleen mensen in die je aardig vindt of goed kent. Zie het zakelijk.


Brevet van onvermogen
En als je dan eenmaal connecties hebt, moet je ze ook durven inschakelen. Martens stelt vast dat vrouwen daar regelmatig terughoudend in zijn. Laatst nog vertelde een vrouw haar dat ze ergens wilde solliciteren en een wethouder in haar netwerk had die de organisatie in kwestie erg goed kende. De aangewezen persoon dus om haar aan te bevelen. Martens: ‘Toch kon ze die stap niet zetten. Er speelden allerlei belemmerende gedachten. Zoals: moet ik het niet alleen kunnen? Ken ik deze persoon echt goed genoeg om dit te vragen? Waarom zou hij mij willen helpen?’ Het heeft er volgens Martens mee te maken dat vrouwen hulp vragen zien als een brevet van onvermogen. Maar ook willen ze zich zeker voelen over de relatie en voldoende vertrouwen en veiligheid ervaren. ‘Vrouwen hebben een voorkeur voor sterke banden. Maar bij zakelijk netwerken zijn het juist de zwakke banden die nieuwe informatie brengen en je verder helpen.’

Jolanda van Schaik (57), directeur inclusie en cultuur bij KPMG, noemt het proefschrift een eyeopener. ‘Ik deed helemaal niks actiefs met mijn netwerk buiten KPMG, totdat ik het proefschrift van Jeanne las. Ik ben bijvoorbeeld eens door mijn 2000 LinkedIn- connecties gaan bladeren en blijk een hoop interessante mensen te kennen. Dat kan nog eens van pas komen.’ Ze zet het thema ook binnen KPMG op de kaart. ‘We organiseren bijvoorbeeld cursussen “Hoe te netwerken”. Daar heb ik zelf ook veel aan, ik voel me nu vrijer om iemand iets te vragen. En als iemand mij iets vraagt, denk ik: je staat bij me in het krijt!’ Desondanks heeft Van Schaik haar netwerk ook voor die tijd wel degelijk strategisch ingezet. ‘Achteraf gezien wel’, zegt ze. ‘Misschien was ik onbewust bekwaam. Ik kwam uit de zorg en ging de financiële dienstverlening in. Ik wilde een positie met invloed. Op een gegeven moment werd ik programmamanager voor de raad van bestuur. Toen heb ik bewust gezocht naar samenwerking met het lid van de raad van bestuur op mijn interessegebied en hem laten weten wat ik wilde toevoegen. Hij heeft me daarbij geholpen en uiteindelijk groeide ik zo naar de rol van director.’ ‘Dankzij mijn coach heb ik zoveel mensen ontmoet’

Leuke nevenfunctie
En zo zette Van Schaik, bewust of niet, een sponsor in. Martens beveeltdat in haar proefschrift van harte aan. ‘Doordat je een sponsor hebt, word je door anderen op waarde geschat. Hij of zij kan je makkelijk in contact brengen met anderen en je komt meteen op het juiste niveau bij de ander binnen.’ Als je een potentiële sponsor zoekt, kun je volgens de onderzoeker denken aan een (oud-)collega, iemand uit de raad van commissarissen of iemand die een rolmodel voor je is. Ook kun je meer sponsoren naast of na elkaar hebben, die je in verschillende cirkels introduceren.

Bitlloch kreeg in het talentprogramma waaraan ze deelnam een jaar lang een coach toegewezen. ‘Ik heb dankzij hem zoveel mensen ontmoet. Zie het als een sneeuwbaleffect. Nu ben ik bijvoorbeeld in de race voor een leuke nevenfunctie.’

Martens raadt vrouwen een mannelijke sponsor aan. ‘Daar heb je meer profijt van. Deels doordat er nu nog meer mannen op topposities zijn en zij tot andere netwerken toegang hebben.’ Bitlloch: ‘Een man biedt je een ander perspectief op de zaak. Het vrouwelijke perspectief heb ik zelf al in huis. Maar ik zou een vrouwelijke sponsor ook prima vinden. Helaas bestaat er wel zoiets als het krabbenmandeffect; jaloezie speelt eerder een rol. Hoe dat kan? Vrouwen kijken kritisch naar zichzelf en daardoor misschien ook wel naar hun soortgenoten.’

Van Schaik ziet bij KPMG wel de behoefte onder vrouwen om met senior vrouwen te bespreken hoe zij het hebben gedaan. En volgens Martens helpen de 86 topvrouwen die ze heeft geïnterviewd andere vrouwen ‘echt wel’. ‘Maar’, erkent ze, ‘er zijn natuurlijk altijd vrouwen die daar geen zin in hebben. Naar het queen bee-syndroom wordt niet voor niets nog altijd onderzoek gedaan. Je ziet bijvoorbeeld in veel vrouwennetwerken dat de echte topvrouwen daar niet komen.’
Beeld: Pexels/Maria Orlova
2021 © Knijnenburg Producties